Btw

Intracommunautaire leveringen en verwervingen

Bijgewerkt op 12 september 2026

De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.

Leveringen naar een andere lidstaat zijn onder het nultarief belast wanneer de goederen de lidstaat verlaten en de afnemer een geldig btw-identificatienummer heeft; spiegelbeeldig wordt bij de afnemer een intracommunautaire verwerving belast. Bewijs van vervoer en een juiste Opgaaf ICP zijn materiële en formele voorwaarden.

Kernregels

ElementWaardeGrondslag
Nultarief intracommunautaire levering (tabel II)0% (nihil)art. 9 lid 2 onderdeel b Wet OB 1968
Verwervingsdrempel voor vrijgestelde ondernemers en niet-ondernemende rechtspersonen€ 10.000 per kalenderjaar (lopend én voorafgaand jaar)art. 1a lid 2 Wet OB 1968
Termijn Opgaaf ICPuiterlijk de laatste dag van de maand volgend op de kalendermaandart. 37a lid 1 Wet OB 1968
Minimale bindingsduur bij afzien van de verwervingsdrempel2 kalenderjarenart. 1a lid 3 Wet OB 1968

(wettekst geldend per 2026)

Controleer in je dossier

  • Zonder feitelijk grensoverschrijdend vervoer is er geen ICV in de zin van art. 17a lid 1; de kwalificatie volgt het vervoer, niet de contractuele bedoeling van partijen.
  • Bij een gebruikt btw-identificatienummer uit een andere lidstaat dan die van feitelijke aankomst speelt het risico van een nummerverwerving: heffing op grond van art. 17b lid 2, zonder dat de vaste rechtspraak van de Hoge Raad daarbij recht op aftrek toekent.
  • Interne overbrenging van bedrijfsgoederen (art. 17a lid 3) levert een gelijkgestelde verwerving op zonder levering aan een derde; dit wordt in de praktijk gemakkelijk over het hoofd gezien.
  • Beroep op de correctie van art. 17b lid 3 vergt dat de afnemer beide voorwaarden cumulatief aantoont: bestemming voor een daaropvolgende verlegde levering én naleving van art. 37a. Ontbreekt een van beide, dan blijft lid 2 van toepassing.
  • Bij de verwervingsdrempel van € 10.000 telt het toetsingskader over twee kalenderjaren; een eenmalig verzoek om de drempel niet toe te passen bindt voor minimaal twee kalenderjaren.
  • Intracommunautaire goederenstromen kunnen samenhangen met de vergunning tot beperkt fiscaal vertegenwoordiger en de aanwijzing op de voet van Invoer-btw en de artikel 23-vergunning; intrekking daarvan staat los van de vraag of materieel een ICV is verricht.

Voorwaarden voor een intracommunautaire verwerving

Een ICV in de hoofdvorm van art. 17a lid 1 Wet OB 1968 vereist cumulatief: een levering van goederen, verricht door een als zodanig handelende ondernemer, en fysiek grensoverschrijdend vervoer van diezelfde goederen van de ene lidstaat naar de andere. Ontbreekt het feitelijke vervoer, dan is er geen ICV in de zin van lid 1, ook niet als partijen menen zaken te doen intracommunautair.

Naast deze hoofdvorm kent de wet twee gelijkstellingen die niet van een levering aan een derde afhangen. Lid 3 stelt de interne overbrenging van bedrijfsgoederen tussen lidstaten door dezelfde ondernemer gelijk aan een ICV: het beschikken voor bedrijfsdoeleinden over een goed dat de ondernemer laat vervoeren uit een andere lidstaat waar het is vervaardigd, gewonnen, bewerkt, gekocht of ingevoerd. Lid 2 kent een zelfstandige grondslag voor rechtspersonen die geen ondernemer zijn: verwerven zij goederen die van buiten de EU zijn ingevoerd in de ene lidstaat en vervolgens worden doorvervoerd naar een andere lidstaat, dan worden die goederen geacht te zijn verzonden vanuit de lidstaat van invoer.

Uitzonderingen en de verwervingsdrempel

Art. 1a lid 1 Wet OB 1968 sluit vier categorieën goederen categorisch uit van de ICV-heffing van art. 1 onderdeel b Wet OB 1968: levering door een ondernemer op wie de EU-tegenhanger van de Kleineondernemersregeling (KOR) van toepassing is (art. 284 BTW-richtlijn 2006), montagelevering (art. 3 lid 1 onderdeel f Wet OB 1968), levering onder de regeling voor intracommunautaire afstandsverkopen (art. 5a lid 1 Wet OB 1968, waarbij de plaats van levering al bij de afnemer ligt), en levering onder een bijzondere regeling zoals de Margeregeling voor gebruikte goederen (art. 312 tot en met 325 en 333 tot en met 340 BTW-richtlijn 2006).

Daarnaast blijven verwervingen door vrijgestelde ondernemers en niet-ondernemende rechtspersonen, met uitzondering van nieuwe vervoermiddelen en accijnsgoederen, buiten de heffing zolang het totaal van die verwervingen in het lopende én het voorafgaande kalenderjaar niet meer dan € 10.000 bedraagt (art. 1a lid 2 Wet OB 1968). Deze partijen kunnen de inspecteur verzoeken om de drempel niet toe te passen; bij inwilliging bindt dat verzoek voor minimaal twee kalenderjaren (art. 1a lid 3 Wet OB 1968).

Bronnen

Gerelateerde thema's

Verder zoeken in de kennisbank

Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.