Inkomstenbelasting
Box 3 (sparen en beleggen)
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
Heffing over het voordeel uit sparen en beleggen op basis van de rendementsgrondslag (bezittingen minus schulden) boven het heffingvrije vermogen. Na de Hoge Raad-arresten over het forfaitaire stelsel geldt rechtsherstel wanneer het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Heffingvrij vermogen | € 59.357 (2026, jaarlijks vastgesteld) | art. 5.5 Wet IB 2001 |
| Forfait banktegoeden | 1,28% (2026, voorlopig; definitief begin 2027) | art. 5.2 lid 2 Wet IB 2001 |
| Forfait overige bezittingen | 6,00% (2026, bij aanvang van het jaar vastgesteld) | art. 5.2 lid 2 Wet IB 2001 |
| Forfait schulden | 2,70% (2026, voorlopig; definitief begin 2027) | art. 5.2 lid 2 Wet IB 2001 |
| Schuldendrempel | € 3.800 (alleenstaanden) / € 7.600 (fiscale partners gezamenlijk) | art. 5.3 lid 3 onderdeel f Wet IB 2001 |
| Tarief box 3 | 36% | art. 2.13 Wet IB 2001 |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- Het heffingvrije vermogen (art. 5.5) en de forfaitpercentages (art. 5.2 lid 2) worden jaarlijks los van elkaar vastgesteld en in de praktijk vaak door elkaar gehaald.
- De kwalificatie als banktegoed volgt de limitatieve opsomming van art. 5.2 lid 3, niet de economische gelijkenis met sparen.
- Een schuld ter financiering van een persoonsgebonden aftrekpost telt zelf wél mee als schuld in box 3; alleen de aftrekpost-verplichting zelf is uitgesloten.
- Bij overlijden en bij een minderjarig kind met eigen vermogen gelden eigen toerekeningsregels voor het werkelijke rendement.
- Wie voor jaren vóór de tegenbewijsregeling een beroep op een lager werkelijk rendement wil doen, moet dat via bezwaar of een verzoek om ambtshalve vermindering doen, niet via het formulier Opgaaf werkelijk rendement.
Van stelselschending naar tegenbewijsregeling
In HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, oordeelde de Hoge Raad dat de heffing voor 2013 en 2014 op stelselniveau in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM indien het nominale, zonder veel risico haalbare rendement lager is dan 1,2 procent, maar dat de rechter daarin niet zelf mag voorzien behalve bij een individuele en buitensporige last. Het gelijktijdige arrest ECLI:NL:HR:2019:817 bevestigt dat het door de wetgever voor die jaren verondersteld rendement van 4% op stelselniveau niet meer haalbaar was zonder veel risico te nemen, maar verklaart de cassatieberoepen van beide partijen ongegrond. In het Kerstarrest oordeelde de Hoge Raad vervolgens dat de heffing over 2017 en 2018 in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM in samenhang met art. 14 EVRM, en bood de Hoge Raad zelf rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963). In HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, oordeelde de Hoge Raad dat ook de inmiddels ingevoerde Wet rechtsherstel box 3 dat gebrek niet wegneemt, met rechtsherstel tot gevolg; het gelijktijdige arrest ECLI:NL:HR:2024:1083 bevestigt dit oordeel, maar verklaart de cassatieberoepen van zowel de belanghebbende als de staatssecretaris ongegrond. De eveneens gelijktijdige zaak ECLI:NL:HR:2024:705 bevestigt het rechtsherstel voor zover het forfaitaire rendement het werkelijk behaalde rendement overtreft. Naar aanleiding hiervan is medio 2025 de Wet tegenbewijsregeling box 3 in werking getreden: wie aannemelijk maakt dat zijn werkelijke rendement, inclusief ongerealiseerde waardeontwikkelingen, lager is dan het forfaitaire, kan dat doen via het formulier Opgaaf werkelijk rendement, waarna de heffing op dat lagere bedrag wordt gebaseerd. Voor jaren van vóór de tegenbewijsregeling loopt een lagere-heffing-claim via bezwaar of een verzoek om ambtshalve vermindering. Voor de structurele toekomst ligt de Wet werkelijk rendement box 3 voor: het wetsvoorstel is in februari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen en beoogt per 2028 een heffing over het werkelijke rendement in te voeren, met onder meer een vermogensaanwasbenadering voor de meeste beleggingen.
Bronnen
- Art. 5.2 Wet IB 2001
- Art. 5.3 Wet IB 2001
- ECLI:NL:HR:2024:705: ECLI:NL:HR:2024:705, Hoge Raad, 06-06-2024, 23/00653
- ECLI:NL:HR:2024:704: ECLI:NL:HR:2024:704, Hoge Raad, 06-06-2024, 22/04676
- KG:202:2026:5: Niet-toegankelijke cryptovaluta en box 3
- KG:202:2022:7: Box 3 en schulden ter financiering van uitgaven voor persoonsgebonden aftrekposten
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.