Schenk- en erfbelasting

Erfbelasting: tarieven en vrijstellingen

Bijgewerkt op 12 september 2026

De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.

De erfbelasting wordt geheven naar tariefgroepen op basis van verwantschap met een dubbel progressief tarief, en kent vrijstellingen waarvan die voor de partner veruit de grootste is. De partnervrijstelling wordt verminderd met de waarde van vrijgestelde pensioenaanspraken (imputatie).

Kernregels

ElementWaardeGrondslag
Tarief partner/afstammelingen rechte lijn10% tot € 158.669, 20% daarbovenart. 24 lid 1 SW 1956
Tarief overige verkrijgers30% tot € 158.669, 40% daarbovenart. 24 lid 1 SW 1956
Opslag voor afstammelingen tweede of verdere graad (o.a. kleinkinderen)80% van het volgens de eerste kolom verschuldigde bedragart. 24 lid 1 SW 1956
Partnervrijstelling (vóór imputatie)€ 828.035art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder a SW 1956
Bodem partnervrijstelling na imputatie pensioen/lijfrente€ 213.915art. 32 lid 2 SW 1956
Vrijstelling arbeidsongeschikt kind€ 78.671art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder b SW 1956
Vrijstelling overige kinderen en kleinkinderen€ 26.230art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder c en d SW 1956
Vrijstelling ouders€ 62.110art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder e SW 1956
Vrijstelling overige verkrijgers€ 2.769art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder f SW 1956

(wettekst geldend per 2026)

Controleer in je dossier

  • Zonder samenlevingscontract met zorgverplichting (of vijf jaar onafgebroken gezamenlijke inschrijving) en zonder de zesmaandentermijn van art. 1a lid 2 onderdeel a SW 1956 valt een ongehuwde partner terug op tarief en vrijstelling van de overige verkrijgers.
  • De gelijkstelling van stiefkinderen vervalt bij beëindiging van het huwelijk of partnerschap anders dan door overlijden; voor een voormalige schoonzoon of -dochter is diezelfde beëindigingsgrond bepalend voor de tariefgroep.
  • ECLI:NL:HR:2010:BO0407: gelijkstellingen als die van art. 1a en 19 SW 1956 worden strikt uitgelegd en werken niet automatisch door naar een verdere kring van familieleden.
  • Verkrijgt de partner tevens pensioen- of lijfrenteaanspraken uit hoofde van het overlijden, dan moet de imputatie van art. 32 lid 2 SW 1956 apart worden doorgerekend.
  • De samenloopvermindering van art. 24 lid 2 SW 1956 geldt alleen voor de schenkbelasting, niet voor de erfbelasting.
  • De aangiftetermijn van twintig maanden (art. 45 lid 1 SW 1956) loopt niet door zolang een nalatenschap onbeheerd is gelaten zonder benoemde vereffenaar.

Bronnen

Gerelateerde thema's

Verder zoeken in de kennisbank

Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.