Formeel belastingrecht
Fiscale woonplaats
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
Waar iemand woont en waar een lichaam is gevestigd wordt naar de omstandigheden beoordeeld; voor natuurlijke personen is beslissend of een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland bestaat, voor lichamen waar de werkelijke leiding wordt uitgeoefend. Diverse vestigingsplaatsficties en verdragsregels (tiebreakers) completeren het beeld.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| EU-richtlijnen die de vestigingsplaatsfictie voor lichamen activeren | 3 richtlijnen: fusierichtlijn, moeder-dochterrichtlijn, interest- en royaltyrichtlijn | art. 4 lid 3 AWR |
| Cumulatieve voorwaarden vestigingsplaatsfictie alternatieve beleggingsinstelling | 2 voorwaarden: oprichting naar het recht van de lidstaat; uitsluitend beleggen van vermogen | art. 4 lid 5 AWR |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- De nationale woonplaatsbeoordeling staat los van de verdragstoepassing en gaat daaraan vooraf; pas nadat naar Nederlands recht is vastgesteld dat iemand of een lichaam in Nederland woont respectievelijk is gevestigd, is de vraag aan de orde of een belastingverdrag dezelfde persoon of hetzelfde lichaam ook als inwoner van de andere verdragsstaat aanmerkt.
- Bij een dga die met zijn BV verhuist, spelen de woonplaatsvraag voor de dga zelf (duurzame band van persoonlijke aard) en de vestigingsplaatsvraag voor de BV (werkelijke leiding) los van elkaar; uit ECLI:NL:GHAMS:2022:90 blijkt dat de BV al vestigingsplaats kan hebben verloren voordat over de eigen woonplaats van de dga is geoordeeld.
- Voor beleggingsinstellingen en icbe's is de vestigingsplaatsfictie van art. 4 lid 4 en lid 5 AWR een uitzondering op de hoofdregel; bij een alternatieve beleggingsinstelling moet steeds worden getoetst of aan beide cumulatieve voorwaarden van lid 5 gelijktijdig is voldaan, en bij twijfel of niet-vervulling geldt de feitelijke toets van lid 1 onverkort. Dezelfde vestigingsplaatsvraag is relevant voor de kwalificatie als buitenlandse belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting en voor de kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling.
- Omdat geen enkele indicator op zichzelf beslissend is, leidt een enkelvoudig kenmerk zelden tot een woonplaatsoordeel; het gaat om de combinatie van indicatoren die in de aangehaalde rechtspraak terugkeert.
Ficties en uitzonderingen op de feitelijke toets
Naast de hoofdregel van lid 1 bevat art. 4 AWR een aantal specifieke ficties voor situaties waarin de feitelijke toets zelf niet goed werkt. Lid 2 beschouwt schepen en luchtvaartuigen die in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland; zonder deze fictie zou voor mobiel werkend personeel vaak geen eenduidige woonplaats zijn vast te stellen. Lid 3 wijkt af van de hoofdregel ter uitvoering van drie EU-richtlijnen: de fusierichtlijn, met inbegrip van de zetelverplaatsing van een SE of SCE, de moeder-dochterrichtlijn, en de interest- en royaltyrichtlijn. Voor zover dat uit die richtlijnen voortvloeit, wordt een lichaam geacht in een EU-lidstaat te zijn gevestigd indien het volgens de fiscale wetgeving van die lidstaat aldaar is gevestigd; dit voorkomt dat Nederland via de eigen feitelijke-vestigingstoets alsnog een dubbele vestigingsplaats zou construeren voor grensoverschrijdende reorganisaties en concernrelaties die de richtlijnen juist fiscaal neutraal willen faciliteren.
Lid 4 regelt de vestigingsplaats van een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe): deze wordt geacht te zijn gevestigd in de lidstaat waarvan de bevoegde autoriteit de instelling heeft toegelaten. Lid 5 doet hetzelfde voor de alternatieve beleggingsinstelling, mits cumulatief aan twee voorwaarden is voldaan: het lichaam is opgericht of aangegaan naar het recht van die lidstaat, en het doel en de feitelijke werkzaamheid van het lichaam bestaan uitsluitend uit het beleggen van vermogen als bedoeld in art. 28 Wet Vpb 1969. Is niet aan beide voorwaarden van lid 5 voldaan, dan geldt de feitelijke toets van lid 1 onverkort. Beide beleggingsficties bestaan omdat beleggingsinstellingen doorgaans geen fysieke bedrijfsvoering in één land hebben waarop de feitelijke-leidingtoets goed aangrijpt, terwijl de toezichtwetgeving al een eenduidige lidstaat van herkomst aanwijst.
Bronnen
- Art. 4 AWR
- ECLI:NL:GHARL:2020:9535: ECLI:NL:GHARL:2020:9535, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-11-2020, 17/01172 t/m 17/01186
- ECLI:NL:GHAMS:2024:721: ECLI:NL:GHAMS:2024:721, Gerechtshof Amsterdam, 23-01-2024, 22/2549 en 22/2550
- KG:211:2024:9: Omgekeerd hybride lichaam en uitzondering alternatieve beleggingsinstelling
- RULOV 20260623-000008: Overige ruling 20260623 RULOV 000008
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.