Schenk- en erfbelasting
Fictieve verkrijgingen in de Successiewet
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
De Successiewet merkt bepaalde voordelen fictief als erfrechtelijke verkrijging aan, zoals vermogen waarvan de erflater het genot behield (art. 10) en uitkeringen uit levensverzekering voor zover aan diens vermogen onttrokken (art. 13). Deze ficties beogen constructies te treffen waarmee erfbelasting bij overlijden zou worden ontgaan.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Genotstoets art. 10 lid 3 SW 1956 | 6% van de waarde in onbezwaarde staat | art. 21 lid 14 SW 1956 jo. art. 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 |
| Verrekeningsrente art. 7 lid 3 SW 1956 | enkelvoudige rente, gelijk aan het percentage van de genotstoets (6%) | art. 7 lid 3 jo. art. 21 lid 14 SW 1956 |
| Terugkijktermijn geëindigd genot | de fictie van art. 10 SW 1956 vervalt als het genot meer dan 180 dagen vóór overlijden is geëindigd | art. 10 lid 4 onderdeel b SW 1956 |
| Kring gerechtigden art. 10 SW 1956 | partner of bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad, of hun partner | art. 10 lid 4 onderdeel a SW 1956 |
| Werkgeversuitkering na overlijden werknemer | onbelast tot één maandsalaris; het meerdere valt onder de fictie | art. 13 lid 1 SW 1956 |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- Bij overdrachten onder voorbehoud van vruchtgebruik of huurrecht telt de feitelijk betaalde vergoeding tegenover de 6%-genotsdrempel; zakelijke vormgeving of latere kwijtschelding van de koopsom verandert niets aan een eenmaal vastgestelde fictieve verkrijging.
- Bij verrekenbedingen in huwelijkse voorwaarden is bepalend of het beding ook na overlijden van een echtgenoot kan worden ingeroepen; kan dat niet, dan ligt kwalificatie onder art. 10 lid 1 SW 1956 voor de hand, en bij gemeenschap van goederen is het partijbegrip van dat lid een aparte feitelijke vraag.
- Bij legaten tegen inbreng is van belang of de verkrijger daadwerkelijk een rechtshandeling heeft verricht die aan lid 1 voldoet; ontbreekt die vaststelling, dan is lid 9 de relevante grondslag.
- Bij samenloop van een fictieve verkrijging op grond van art. 10 of art. 13 lid 2 SW 1956 met eerder geheven schenk- of overdrachtsbelasting is verrekening via art. 7 SW 1956 aan de orde; voor de algemene verzekeringsfictie van art. 13 lid 1 SW 1956 geldt die verrekening niet.
Uitzonderingen en de zelfstandige fictie van lid 9
Art. 10 SW 1956 kent een aantal uitzonderingen. De fictie blijft buiten toepassing bij overdracht aan personen buiten de kring van partner of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad, of hun partners, ook als aan de genotstoets is voldaan (lid 4 onderdeel a), en wanneer het genot meer dan 180 dagen vóór het overlijden is geëindigd (lid 4 onderdeel b); beide gronden werken zelfstandig. Ook blijft zij buiten toepassing bij een onderbedelingsvordering uit verdeling van de volle eigendom, voor zover het nominale bedrag van de overbedelingsschuld de overbedelingswaarde niet te boven gaat (lid 5), bij een vruchtgebruik van een geldsom uit schuldig gebleven inbreng bij een legaat (lid 6), en bij overdracht van blote eigendom of een schuldigerkenning uit een wilsrecht van Boek 4 BW (lid 7).
Naast lid 1 bevat lid 9 een zelfstandige fictie voor schulden uit een uiterste wil, voor zover de nominale waarde daarvan de waarde te boven gaat van hetgeen de erflater krachtens erfrecht van de opsteller van die uiterste wil heeft verkregen; deze grondslag komt in beeld als niet aan lid 1 is voldaan. Ontbreekt de vaststelling dat de verkrijger een rechtshandeling verrichtte ter aanvaarding van de nalatenschap, dan wordt de verkrijging van legatarissen bestreken door lid 9 in plaats van lid 1 (ECLI:NL:HR:2019:1838). Omgekeerd is lid 1 wel van toepassing op een vordering die kinderen na overlijden van hun vader kregen uit een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden, dat alleen bij leven van beide echtgenoten kon worden ingeroepen (ECLI:NL:HR:2021:263). Lid 1 en lid 9 sluiten elkaar dus niet uit, maar vullen elkaar aan.
Bronnen
- Art. 10 SW 1956
- Art. 13 SW 1956
- ECLI:NL:HR:2014:2921: ECLI:NL:HR:2014:2921, Hoge Raad, 10-10-2014, 13/04777
- ECLI:NL:HR:2021:263: ECLI:NL:HR:2021:263, Hoge Raad, 19-02-2021, 19/04003
- Besluit BWBR0038672: Schenk- en erfbelasting, toepassing van artikel 9, 10 en 15 van de Successiewet 1956
- Besluit BWBR0029172: Erfbelasting, fictieve verkrijging, levensverzekering en derdenbeding, premiesplitsing
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.