Inkomstenbelasting

Afgezonderd particulier vermogen (APV) en trusts

Bijgewerkt op 12 september 2026

De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.

Vermogen dat is afgezonderd in een trust, stichting of buitenlandse doelvermogenstructuur met een meer dan bijkomstig particulier belang wordt fiscaal transparant behandeld: bezittingen, schulden, opbrengsten en uitgaven worden toegerekend aan de inbrenger en na diens overlijden aan de erfgenamen. Een toerekeningsstop geldt alleen bij een reële heffing naar de winst op het niveau van het APV.

Kernregels

ElementWaardeGrondslag
Verwantschapskring bij afzondering ten gunste van familiepartner, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, of tot en met de vierde graad van de zijlijnart. 2.14a lid 3 onderdeel b Wet IB 2001
Belastbare verkrijging bij inbreng in het APVgeen (vrijgesteld)art. 17a Successiewet 1956
Kwalificatie verkrijging bij overlijden van de inbrengererfrechtelijke verkrijgingart. 16 Successiewet 1956
Kwalificatie overige verkrijgingen uit het APV (bijvoorbeeld een uitkering)schenkingart. 17 Successiewet 1956
Toerekeningsstop ondernemingswinst van het APVgeen toerekening voor zover de winst in de staat waar de onderneming wordt gedreven aan een belasting naar de winst is onderworpenart. 2.14a lid 7 Wet IB 2001

(wettekst geldend per 2026)

Controleer in je dossier

  • Toetsing of tegenover de afzondering een uitreiking van rechten of een economische deelgerechtigdheid is ontstaan bepaalt of een structuur überhaupt als APV kwalificeert; is de begunstigde enig en onvoorwaardelijk gerechtigde, dan ontbreekt toerekening (ECLI:NL:HR:2015:849).
  • Bij een onterfde potentiële begunstigde blijft toerekening mogelijk via lid 4; het tegenbewijs van lid 6 vervalt zodra de erfopvolging in overwegende mate op het ontgaan of uitstellen van de toerekening is gericht.
  • Materiële afzondering is beslissend boven civielrechtelijke geldigheid van de vestigingshandeling (ECLI:NL:HR:2023:948); neem in een procedure ook subsidiair een eigen-inbreng-standpunt in (ECLI:NL:HR:2023:1664).
  • De toerekeningsstop van lid 7 werkt alleen voor ondernemingsvermogen en -winst van het APV zelf, en alleen voor zover die winst in het buitenland daadwerkelijk aan een belasting naar de winst is onderworpen.
  • Een aanmerkelijkbelangbelang in een APV kan via een gefaciliteerde aandelenfusie naar een holding worden overgebracht zonder voorafgaande levering aan de inbrengers (KG:202:2023:46).
  • Voor oudere, niet fiscaal gedreven binnenlandse familiestichtingen kan toepassing van art. 2.14a Wet IB 2001 tot een EVRM-schending leiden, met rechtsherstel beperkt tot het daadwerkelijk genoten voordeel; dit is casusgebonden en geen algemene vrijstelling (ECLI:NL:GHAMS:2024:1494).

Toerekening: hoofdregel, erfgenamen en tegenbewijs

De hoofdregel van art. 2.14a lid 1 Wet IB 2001 rekent bezittingen, schulden, opbrengsten en uitgaven van het APV toe aan de inbrenger; na diens overlijden gaat de toerekening over op de erfgenamen, ieder naar de verhouding waarin hij krachtens erfrecht verkrijger is, en bij opvolgend overlijden treden de erfgenamen van een erfgenaam in dezelfde verhouding in diens plaats. Lid 4 verruimt het erfgenaambegrip: ook een onterfde persoon telt mee zodra hij, of zijn partner of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn, in feite, direct of indirect, begunstigde is van het APV, zodat onterving de toerekening niet doorbreekt wanneer de feitelijke bevoordeling blijft doorlopen. Kunnen de inbrenger, diens partner en diens erfgenamen niet worden vastgesteld, dan wordt naar lid 5 toegerekend aan de feitelijke begunstigde(n), naar verhouding van de mate van begunstiging bij meerdere begunstigden.

Lid 6 biedt tegenbewijs: een erfgenaam ontsnapt aan de toerekening zodra blijkt dat hijzelf en zijn partner geen begunstigde zijn en dat ook niet kunnen worden; de toerekening verschuift dan naar de overige erfgenamen. Dat tegenbewijs vervalt als de erfopvolging in overwegende mate is gericht op het geheel of gedeeltelijk ontgaan of uitstellen van de toerekening. De bewijslast over wie feitelijk begunstigde is, weegt zwaar in de rechtspraak: toerekening vindt ook plaats als de inbrenger niet bevoegd was de rechtshandelingen te verrichten waarmee het vermogen feitelijk is afgezonderd, omdat de materiële afzondering beslissend is en niet de civielrechtelijke geldigheid daarvan (ECLI:NL:HR:2023:948). Wie in een procedure niet subsidiair stelt zelf ook vermogen te hebben ingebracht, riskeert dat het gehele vermogen aan een ander wordt toegerekend (ECLI:NL:HR:2023:1664).

Bronnen

Gerelateerde thema's

Verder zoeken in de kennisbank

Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.