Vennootschapsbelasting

Fiscale eenheid

Bijgewerkt op 12 september 2026

De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.

Consolidatieregime waarbij moeder- en dochtermaatschappij op verzoek voor de vennootschapsbelasting als een belastingplichtige worden behandeld. Vereist onder meer een bezit van ten minste 95% van de aandelen en gelijklopende boekjaren; nadere regels staan in het Besluit fiscale eenheid 2003.

Kernregels

ElementWaardeGrondslag
Bezitseis aandelen/stemrecht/winstrecht/vermogensrechtelk ten minste 95%art. 15 lid 1 Wet Vpb 1969
Terugwerkende kracht van het voegingsverzoekten hoogste 3 maanden vóór de verzoekdatumart. 15 lid 9 Wet Vpb 1969
Uitzondering herwaardering bij bedrijfsoverdracht tegen aandelenvervalt na 3 kalenderjarenart. 15ai lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969
Algehele vervaltermijn herwaarderingsplicht bij ontvoegingvervalt na 6 kalenderjaren na de overdrachtart. 15ai lid 3 onderdeel c Wet Vpb 1969
Drempel liquidatieverlies bij een bij voeging al (nagenoeg) gestaakte deelneming€ 1.000.000, plus 50% van de winst daarboven (sinds Belastingplan 2021)art. 15ab lid 3 Wet Vpb 1969

(wettekst geldend per 2026)

Controleer in je dossier

  • Het bezitsvereiste van art. 15 lid 1 Wet Vpb 1969 kent vier elementen die tegelijk vervuld moeten zijn (juridische én economische eigendom, stemrecht, winst- en vermogensrecht); certificering van aandelen staat daaraan niet in de weg zolang de moedermaatschappij het stemrecht via bindende, niet van derden afhankelijke instructies volledig beheerst (ECLI:NL:HR:2010:BK3803).
  • Bij overname of reorganisatie is van belang of overdrachten binnen de groep onder de termijnen van art. 15ai lid 3 Wet Vpb 1969 vallen: ontvoeging binnen drie kalenderjaren na een aandelenruil of binnen zes kalenderjaren na een gewone overdracht leidt tot herwaardering op de waarde in het economische verkeer, tenzij normale bedrijfsuitoefening van toepassing is.
  • Winstsplitsing op grond van art. 15ah Wet Vpb 1969 vergt een aparte administratie van de aan elke maatschappij toerekenbare winst, met name bij afschrijving op eerder binnen de groep overgedragen activa.
  • Bij internationale concernstructuren is de vestigingseis van art. 15 lid 4 onderdeel c Wet Vpb 1969 bepalend: buiten de EU/EER of een staat met een kwalificerend verdrag, zoals Israël in ECLI:NL:HR:2017:3128, staat dat voeging in de weg.
  • Een liquidatieverlies op een deelneming die bij voeging al (nagenoeg) was gestaakt, verdampt niet maar wordt begrensd op het bedrag uit de Kerncijfers-tabel en over jaren voortgewenteld.
  • De per-elementbenadering van lid 16 tot en met 18 betekent dat art. 10a, delen van art. 13, art. 13a, art. 15ba en art. 20a Wet Vpb 1969 binnen een fiscale eenheid niet zonder meer buiten werking blijven.

Toegangseisen: de 95%-bezitseis en de aanvullende voorwaarden

Dit regime komt aan de orde bij oprichting van een dochter, bij een overname waarbij de overgenomen vennootschap in de bestaande structuur wordt opgenomen, en bij reorganisaties zoals een juridische splitsing of juridische fusie waarbij vermogensbestanddelen tussen concernmaatschappijen overgaan; ook bij beëindiging, verkoop van een dochter of wijziging van de aandeelhoudersstructuur is toetsing nodig, met gevolgen voor waardering en verliesverrekening. Het staat los van de fiscale eenheid voor de omzetbelasting, die eigen verwevenheidseisen kent.

Voeging is mogelijk als de moedermaatschappij de gehele juridische én economische eigendom bezit van ten minste 95% van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van de dochter, dit bezit ten minste 95% van de statutaire stemrechten vertegenwoordigt en in alle gevallen recht geeft op ten minste 95% van de winst en ten minste 95% van het vermogen van de dochter (art. 15 lid 1 Wet Vpb 1969); van een fiscale eenheid kunnen meer dan één dochtermaatschappij deel uitmaken. Een middellijk gehouden belang telt mee, mits de aandelen onmiddellijk worden gehouden door een reeds gevoegde maatschappij of door een kwalificerende tussenmaatschappij (lid 3). Daarnaast moeten de boekjaren van beide belastingplichtigen gelijklopen, moeten voor de winstbepaling dezelfde regels gelden of regels op grond van lid 7, moeten beide in Nederland zijn gevestigd of voldoen aan de vaste-inrichtingfictie van lid 8 (voor een niet in Nederland gevestigde belastingplichtige met een Nederlandse vaste inrichting in een EU/EER-staat of een staat met een kwalificerend verdrag), moet de moedermaatschappij een NV, BV, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of vergelijkbaar buitenlands lichaam zijn, en mogen de aandelen in de dochter niet als voorraad worden gehouden (lid 4). Certificering van de aandelen in de dochtermaatschappij sluit een fiscale eenheid niet uit wanneer het administratiekantoor het stemrecht op die aandelen moet uitoefenen volgens de instructies van de moedermaatschappij, zonder dat daarvoor de instemming van een derde nodig is (ECLI:NL:HR:2010:BK3803); wel komt geen fiscale eenheid tot stand wanneer het economische belang in de aandelen van de dochter vanaf de oprichting bij een derde berust in plaats van bij de moedermaatschappij (ECLI:NL:HR:2015:962).

Bronnen

Gerelateerde thema's

Verder zoeken in de kennisbank

Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.