Vennootschapsbelasting

Juridische splitsing

Bijgewerkt op 12 september 2026

De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.

Bij een juridische (af)splitsing gaat vermogen onder algemene titel over op een of meer verkrijgende rechtspersonen; de splitsende rechtspersoon hoeft de daarbij behaalde winst onder voorwaarden niet in aanmerking te nemen (fiscale indeplaatstreding). Antimisbruiktoetsing vindt plaats als de splitsing in overwegende mate op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing is gericht.

Kernregels

ElementWaardeGrondslag
Termijn vervreemdingstoets na splitsing3 jaarart. 14a lid 6 Wet Vpb 1969
Territoriale reikwijdte faciliteitNederland, EU-lidstaat of aangewezen EER-staatart. 14a lid 11 Wet Vpb 1969
Opgeofferd bedrag bij aandelenuitreiking die deelneming vormtfiscale boekwaarde overgegaan vermogen, verminderd met HIR- en egalisatiereserveart. 14a lid 4 Wet Vpb 1969
Uitgesloten aanspraken bij zuivere splitsing (splitsende rechtspersoon houdt op te bestaan)onder meer verliesverrekening, deelnemingsverrekening, innovatiebox en het art. 15b-rentesaldoart. 14a lid 2 Wet Vpb 1969
Uitgesloten aanspraak bij afsplitsing (splitsende rechtspersoon blijft bestaan)uitsluitend de innovatieboxart. 14a lid 2 Wet Vpb 1969

(wettekst geldend per 2026)

Controleer in je dossier

  • Een splitsing die feitelijk vooral dient om een aandeelhouder uit te kopen (ruziesplitsing), wordt bij gebrek aan aannemelijk gemaakte zakelijke overwegingen geacht op ontgaan of uitstel van heffing gericht te zijn.
  • De grensoverschrijdende toepassing is beperkt tot rechtspersonen gevestigd in Nederland, een EU-lidstaat of een aangewezen EER-staat (lid 11); daarbuiten is de faciliteit niet toegankelijk, ook niet via de verzoekroute van lid 3.
  • Bij vervreemding van aandelen binnen drie jaar na de splitsing moet het bewijsvermoeden van lid 6, derde volzin, sinds ECLI:NL:HR:2026:298 gelezen worden met de eis dat de inspecteur eerst zelf een begin van bewijs van belastingontwijking levert.
  • Een beschikking op een verzoek over afsplitsing verstrekt geen zekerheid over de uitkomst van de ontgaanstoets van lid 6; die zekerheid moet afzonderlijk via lid 8 of lid 9 worden gevraagd.
  • Bij een fiscale eenheid die door de splitsing uiteenvalt, kunnen rentesaldi van de eenheid worden meegegeven aan de dochtermaatschappijen die uit de splitsing ontstaan.
  • Een splitsing die de toerekening van ondernemingen tussen de betrokken rechtspersonen wijzigt, kan voor de bedrijfsopvolgingsregeling een nieuwe bezitstermijn doen aanvangen, ook wanneer de splitsing zelf onder de faciliteit van art. 14a valt.

Voorwaarden voor de faciliteit

Lid 2 stelt vier eisen aan het buiten aanmerking laten van de winst. Ten eerste moeten voor het bepalen van de winst bij de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen dezelfde fiscale bepalingen gelden. Ten tweede, houdt de splitsende rechtspersoon op te bestaan (zuivere splitsing), dan mogen noch zijzelf noch de verkrijgende rechtspersoon aanspraak hebben op onder meer voorwaartse verliesverrekening (art. 20 Wet Vpb 1969, zie verliesverrekening), op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting of de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, op de innovatiebox, op voortwenteling van een renteaftrekbeperking-saldo op de voet van art. 15b (zie earningsstrippingmaatregel), op de deelnemingsverrekening, op verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten, of op voortwenteling van voorheffingen op de voet van art. 25a lid 4. Ten derde geldt bij een afsplitsing, waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, voor haar uitsluitend de eis dat zij geen aanspraak heeft op de innovatiebox. Ten vierde moet latere heffing verzekerd zijn. Reikt de verkrijgende rechtspersoon in het kader van de splitsing aandelen uit aan de splitsende rechtspersoon zelf en vormen die aandelen bij haar een deelneming (zie deelnemingsvrijstelling), dan wordt het daarvoor opgeofferde bedrag op grond van lid 4 gesteld op de fiscale boekwaarde van het overgegane vermogen, verminderd met daarin begrepen herinvesterings- en egalisatiereserves (art. 3.53 en 3.54 Wet IB 2001).

De antimisbruiktoets

Lid 6 sluit de faciliteit van lid 2 respectievelijk lid 3 uit voor zover de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De wet werkt dit uit met een dubbel bewijsvermoeden. Ten eerste wordt een splitsing, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht daarop gericht te zijn als zij niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de betrokken rechtspersonen. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2012:BP6629 dat een voorgenomen splitsing op die grond geacht wordt in overwegende mate op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing gericht te zijn wanneer geen zakelijke overwegingen aannemelijk zijn gemaakt en de splitsing feitelijk niet meer is dan een alternatieve route voor de uitkoop van een aandeelhouder (ruziesplitsing). Ten tweede gold: worden binnen drie jaar na de splitsing aandelen in de gesplitste of een verkrijgende rechtspersoon geheel of ten dele, direct of indirect vervreemd aan een niet-verbonden lichaam, dan werden zakelijke overwegingen naar de tekst van de wet niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk werd gemaakt. Lid 7 hangt hiermee samen: het merkt de verkrijgende rechtspersoon ten tijde van de splitsing aan als verbonden lichaam, zodat een vervreemding aan die rechtspersoon zelf niet meteen als vervreemding aan een niet-verbonden lichaam telt.

Dit tweede bewijsvermoeden geldt niet langer onverkort. De conclusie van de Parket bij de Hoge Raad in ECLI:NL:PHR:2023:498 zette de vraag centraal of het verenigbaar is met de EU-Fusierichtlijn, in een zaak over een afsplitsing van een verzekeringsonderneming waarbij belastingschulden van de fiscale eenheid achterbleven en het verkregen aandeel binnen drie jaar werd doorverkocht. De Hoge Raad oordeelde op 27 februari 2026 in ECLI:NL:HR:2026:298 dat dit automatische bewijsvermoeden strijdig is met de EU-Fusierichtlijn en daarom buiten toepassing moet blijven: de belastingplichtige hoeft niet langer, enkel op grond van een vervreemding binnen drie jaar, zelf aannemelijk te maken dat de splitsing op zakelijke overwegingen berustte, de inspecteur moet eerst zelf een begin van bewijs van belastingontwijking leveren voordat de bewijslast verschuift. De wettekst van lid 6 is door dit arrest niet gewijzigd, de toepassing ervan wel. De ontgaanstoets staat overigens niet op zichzelf: in ECLI:NL:HR:2020:2078 oordeelde de Hoge Raad dat de overdrachtsbelastingvrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel h Wet op belastingen van rechtsverkeer moet worden uitgelegd in samenhang met art. 14a lid 6 Wet Vpb 1969 en de Fusierichtlijn, zodat de correctie op het tweede bewijsvermoeden via die koppeling ook doorwerkt in de reorganisatievrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

Bronnen

Gerelateerde thema's

Verder zoeken in de kennisbank

Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.