Vennootschapsbelasting
Renteaftrekbeperking artikel 10a (winstdrainage)
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
Specifieke renteaftrekbeperking tegen winstdrainage: rente op schulden aan verbonden lichamen die samenhangen met besmette rechtshandelingen (zoals winstuitdelingen, kapitaalstortingen en interne verhangingen) is niet aftrekbaar. Tegenbewijs is mogelijk als aan de schuld en de rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen of de rente bij de ontvanger naar een redelijke heffing wordt belast.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Verbondenheid lichamen | belang van ten minste 1/3 gedeelte | art. 10a lid 4 Wet Vpb 1969 |
| Verbondenheid natuurlijke personen | belang van ten minste 1/3 gedeelte | art. 10a lid 5 Wet Vpb 1969 |
| Samenwerkende groep (gezamenlijk belang) | ten minste 1/3 gedeelte | art. 10a lid 6 Wet Vpb 1969 |
| Compenserende-heffingstoets (tegenbewijs onderdeel b) | effectief tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst | art. 10a lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969 |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- De beoordelingsvolgorde bepaalt het bewijsrisico: eerst verbondenheid, dan samenhang met een besmette rechtshandeling, pas dan het tegenbewijs.
- Het tegenbewijs van onderdeel a vergt onderbouwing van de zakelijkheid van zowel de schuld als de rechtshandeling; in ECLI:NL:GHAMS:2025:1219 faalden onderdeel a én de compenserende-heffingstoets van onderdeel b tegelijk.
- Een marktconforme rentevoet op de lening is geen vrijbrief: na het arrest X BV en de einduitspraak ECLI:NL:HR:2026:60 telt ook of de lening zelf, los van fiscale motieven, een economische rechtvaardiging heeft.
- Bij grensoverschrijdende financiering is de compenserende-heffingstoets een zelfstandig alternatief; de 10%-drempel wordt sinds de Wet minimumbelasting 2024 mede getoetst met kwalificerende IIR-, UTPR- en bijheffingsregels.
- Fraus legis en de zakelijkheid van de leningsvoorwaarden zelf (zie onzakelijke lening) blijven relevant, ook wanneer een schuld buiten de verbondenheidsdefinitie valt of het tegenbewijs slaagt.
Het tegenbewijs: zakelijkheid of compenserende heffing
Slaagt geen van beide tegenbewijzen, dan is de rente volledig niet aftrekbaar; slaagt een van beide, dan blijft de aftrekweigering achterwege. Het eerste tegenbewijs (onderdeel a) vergt dat aan zowel de schuld als de daarmee samenhangende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in 2025 dat bij een externe acquisitie sprake was van een onzakelijke omleiding in de zin van art. 10a lid 1 onderdeel c, omdat de belastingplichtige niet aannemelijk maakte dat aan die omleiding in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen, en dat bovendien geen compenserende heffing aanwezig was: beide tegenbewijzen faalden dus tegelijk (ECLI:NL:GHAMS:2025:1219). Een eerder beroep op parallellie tussen een interne lening en externe financiering, om aannemelijk te maken dat de gelden in wezen van een derde waren geleend, faalde al bij de Hoge Raad: van een dergelijke parallellie was geen sprake (ECLI:NL:HR:2019:394).
Een marktconforme rentevoet op de lening zelf redt het tegenbewijs niet automatisch. De Hoge Raad stelde daarover in 2022 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU over de betekenis van het Lexel-arrest voor art. 10a lid 1 onderdeel c, met name of renteaftrek moet worden toegestaan wanneer de rente op de lening zelf at arm's length is (ECLI:NL:HR:2022:1121). Het Hof van Justitie EU oordeelde in het arrest X BV dat een marktconforme rente niet uitsluit dat de lening een volstrekt kunstmatige constructie vormt, wanneer de lening zelf, los van het concernverband en het belastingvoordeel, geen economische rechtvaardiging heeft (4 oktober 2024, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822). De Hoge Raad paste deze uitleg toe in de einduitspraak van 16 januari 2026 en verklaarde het cassatieberoep ongegrond: een zakelijke rentevoet ontneemt de aftrekweigering niet haar werking wanneer de lening kennelijk geen economische realiteit weerspiegelt en primair fiscaal is gemotiveerd (ECLI:NL:HR:2026:60).
Het tweede tegenbewijs (onderdeel b) is een zelfstandig alternatief: aftrek blijft mogelijk wanneer over de rente bij de ontvanger per saldo een naar Nederlandse maatstaven redelijke belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven, tenzij de inspecteur aannemelijk maakt dat de schuld is aangegaan met het oog op verliesverrekening of dat de schuld of rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijk is. Als redelijk geldt een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de innovatiebox (art. 12b Wet Vpb 1969) buiten toepassing blijft. Sinds de Wet minimumbelasting 2024 tellen ook een kwalificerende binnenlandse bijheffing, een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een kwalificerende onderbelastewinstmaatregel mee als belasting naar de winst voor deze toets (lid 11).
Bronnen
- Art. 10a Wet VPB 1969
- ECLI:NL:HR:2012:BQ1248: ECLI:NL:HR:2012:BQ1248, Hoge Raad, 24-02-2012, 10/03465
- ECLI:NL:HR:2019:394: ECLI:NL:HR:2019:394, Hoge Raad, 22-03-2019, 18/02329, 18/02330, 18/02332, 18/02333, 18/02334
- Besluit BWBR0049814: Besluit artikel 10a Wet Vpb 1969
- RULOV 20250701-000007: Overige ruling 20250701 RULOV 000007
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.