Dividendbelasting
Inkoop van eigen aandelen
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
Inkoop van eigen aandelen anders dan ter tijdelijke belegging geldt voor de dividendbelasting als een belaste opbrengst voor zover de inkoopprijs het gemiddeld op de aandelen gestorte kapitaal overtreft. Voor beursvennootschappen bestaat een inkoopfaciliteit die inkoop onder voorwaarden buiten de heffing laat.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Tarief dividendbelasting over het inkoopvoordeel | 15% van het verschil tussen inkoopprijs en gemiddeld gestort kapitaal | art. 3 lid 1 onderdeel a jo. art. 5 Wet DB 1965 |
| Optieverplichting: aandelen blijven na tenietgaan van de verplichting op de balans | 3 maanden | art. 3 lid 4 Wet DB 1965 |
| Inkoopfaciliteit beursvennootschappen: vrijstellingsplafond | 20 keer het gemiddeld uitgekeerd dividend in contanten over de 5 voorafgaande kalenderjaren, verminderd met eerder vrijgestelde inkopen uit de voorafgaande 4 jaar | art. 4c lid 1 Wet DB 1965 |
| Berekeningsperiode "gemiddeld dividend in contanten" | 7 voorafgaande kalenderjaren, inflatiegecorrigeerd; het hoogste en het laagste gecorrigeerde jaar tellen niet mee | art. 4c lid 2 Wet DB 1965 |
| Termijn zekerheidsverzoek inkoopfaciliteit | ten minste 6 weken vóór de voorgenomen inkoop | art. 4c lid 5 Wet DB 1965 |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- De kwalificatie "anders dan ter tijdelijke belegging" is beslissend voor de heffing: de wettelijke ficties voor optieverplichtingen en beleggingsinstellingen kennen die kwalificatie toe of onthouden haar juist, los van de bedoeling van de vennootschap.
- Bij inkoop ter nakoming van een optieverplichting loopt de driemaandentermijn na het tenietgaan van die verplichting door: blijven de aandelen langer op de balans, dan ontstaat alsnog een geachte inkoop tegen de waarde in het economische verkeer op dat latere tijdstip.
- Bij een inkoopoverschot van een beleggingsinstelling moet de opbrengst worden gebruteerd, ook zonder toereikende agio- of herbeleggingsreserve, en mag daarop geen inhoudingsvrijstelling voor deelnemingsdividenden worden toegepast.
- De inhoudingsvrijstelling van art. 4c Wet DB 1965 vergt dat alle drie de voorwaarden van het eerste lid tegelijk zijn vervuld; voor het zekerheidsverzoek geldt een termijn van ten minste zes weken vóór de voorgenomen inkoop.
- Bij een buitenlandse rechtsvorm blijft een terugbetaling van kapitaal alleen onbelast als de juridische stappen voor de nominale waardevermindering correct naar het toepasselijke buitenlandse recht zijn doorlopen.
- Contractuele nabetalingsrechten die aan een inkoop worden gekoppeld, zonder statutaire grondslag en zonder verhandelbaarheid van de vordering, geven in de praktijk aanleiding tot zekerheidsvooroverleg met de Belastingdienst.
- Bonusaandelen die ten laste van winstreserves worden uitgereikt, vormen een opbrengst waarover dividendbelasting wordt ingehouden, maar leveren in hetzelfde kalenderjaar geen belastbaar voordeel uit aanmerkelijk belang op; zie ook Teruggaaf van dividendbelasting.
Bronnen
- Art. 3 Wet DB 1965
- Art. 4c Wet DB 1965
- KG:024:2025:5: Brutering ingeval inkoopoverschot beleggingsinstelling
- KG:024:2023:6: Inkoopoverschot en toepassing inhoudingsvrijstelling op de deelnemingsdividenden
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.