Vennootschapsbelasting
Fonds voor gemene rekening en open cv
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
Het fonds voor gemene rekening is zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting wanneer het aan de wettelijke definitie voldoet; de kwalificatiecriteria zijn per 2025 herzien, waarbij ook de zelfstandige belastingplicht van de open commanditaire vennootschap is vervallen. Overgangsrecht regelt de fiscale afwikkeling van bestaande structuren.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Verhandelbaarheidscriterium bewijzen van deelgerechtigdheid (vanaf 2025) | fonds aangemerkt als beleggingsfonds of icbe onder de Wft, mét verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid | art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969 |
| Drempel deelneming bij bewijzen van deelgerechtigdheid | ten minste 5% van de uitstaande bewijzen | art. 13 lid 2 onderdeel b Wet Vpb 1969 |
| Drempel omgekeerd hybride lichaam (stemrechten/kapitaalbelangen/winstrechten gelieerde lichamen) | ten minste 50% | art. 2 lid 11 Wet Vpb 1969 |
| Zelfstandige belastingplicht open cv | vervallen met ingang van 1 januari 2025 | art. 2 lid 1 Wet Vpb 1969 (tekst vanaf 2025) |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- De fgr-kwalificatie hangt sinds 2025 af van twee cumulatieve criteria: aanmerking als beleggingsfonds of icbe onder de Wft, en verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid; het toestemmingsvereiste van alle deelgerechtigden speelt voor de kwalificatie vanaf die datum geen rol meer.
- Een terugkoopmechanisme jegens het fonds zelf telt niet als verhandelbaarheid; dit punt blijft ook na 2025 onverkort relevant.
- De fgr en het transparante fonds zijn wettelijk elkaar uitsluitende begrippen; de toerekeningsregel van art. 2.14bis lid 1 Wet IB 2001 geldt uitdrukkelijk niet voor de fgr.
- Bij een cv-belang dat door de afschaffing van de open-cv-categorie van kwalificatie verandert, speelt de compartimenteringsreserve van art. 28c Wet Vpb 1969 een rol bij het bepalen van het al dan niet belaste deel van de waardeontwikkeling.
- Bij buitenlandse fondsen en trusts die dividendbelasting terugvragen, laat de rechtspraak zien dat een beroep op kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling of als doelvermogen niet vanzelfsprekend slaagt.
- De uitzondering op het omgekeerd-hybride-regime voor gediversifieerd beleggende icbe's en alternatieve beleggingsinstellingen (art. 2 lid 12 Wet Vpb 1969) maakt dat internationale fondsstructuren met verschillende gelieerde investeerders drie regimes tegelijk kunnen raken.
Bronnen
- Art. 1a Wet VPB 1969
- Art. 2.14bis Wet IB 2001
- Art. 2 Wet VPB 1969
- ECLI:NL:HR:2020:115: ECLI:NL:HR:2020:115, Hoge Raad, 24-01-2020, 19/03341
- ECLI:NL:HR:2024:862: ECLI:NL:HR:2024:862, Hoge Raad, 14-06-2024, 21/04201
- KG:911:2024:4: Het omgekeerde hybride lichaam en de open commanditaire vennootschap als (partiële) doorkijkentiteit in de zin van de Wet minimumbelasting 2024
- KG:211:2024:9: Omgekeerd hybride lichaam en uitzondering alternatieve beleggingsinstelling
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.