Inkomstenbelasting

Voorkoming van dubbele belasting

Bijgewerkt op 12 september 2026

De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.

Buiten verdragssituaties voorkomt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 dubbele heffing, hoofdzakelijk via de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud voor onder meer buitenlandse ondernemingswinst en arbeidsinkomen, en de verrekeningsmethode voor onder meer dividenden en royalty's uit ontwikkelingslanden. Doorschuif- en inhaalregelingen verdelen de voorkoming over de jaren.

Kernregels

ElementWaardeGrondslag
Cap op verrekenbare buitenlandse bronbelasting over dividend uit een ontwikkelingsland (IB)maximaal 15% van het dividendart. 15 lid 3 BvDB 2001
Cap op verrekenbare buitenlandse bronbelasting over dividend uit een ontwikkelingsland (Vpb)maximaal 15% van het dividendart. 36 lid 3 BvDB 2001
Verrekeningsplafond dividend/interest/royalty in de Vpbhet hoogste tarief van art. 22 Wet Vpb 1969, in plaats van een evenredigheidsbreukart. 36 lid 2 onderdeel b BvDB 2001
Drempel: werkzaamheden op het winningsgebied van een andere Mogendheid vormen een buitenlandse ondernemingvanaf 30 aaneengesloten dagenart. 9 lid 2 BvDB 2001
Vpb-vrijstelling voor buitenlandse vaste-inrichtingswinst binnen dit besluitvervallen per 1 januari 2012, opgevolgd door de objectvrijstellingart. 15e Wet Vpb 1969

(wettekst geldend per 2026)

Controleer in je dossier

  • De bewijslast voor het bestaan en de omvang van dubbele heffing ligt bij de belastingplichtige; een enkele stelling is onvoldoende zodra de inspecteur die gemotiveerd betwist.
  • Zonder een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur waarin het over te brengen bedrag is vastgesteld, gaat het recht op doorschuiven, inhalen of voortwentelen naar het volgende jaar verloren.
  • De 15%-cap op verrekenbare bronbelasting geldt ongeacht het percentage dat het bronland feitelijk heeft ingehouden; bij een hoger buitenlands tarief blijft het meerdere onverrekend en niet-voortwentelbaar.
  • Sinds de vervanging van de Vpb-vrijstelling door de objectvrijstelling in 2012 is voor een buitenlandse vaste inrichting niet meer dit besluit, maar art. 15e Wet Vpb 1969 zelf het aanknopingspunt; het besluit blijft voor de Vpb relevant voor de verrekeningsmethode en voor de erf-, schenk-, kansspel- en bankenbelastingonderdelen.
  • Bij een beroep op de onderworpenheidsfictie van art. 38 lid 2 AWR is de plaats van feitelijke leiding doorslaggevend; dit raakt aan de bredere toets van de fiscale woonplaats van een onderneming.

Bronnen

Gerelateerde thema's

Verder zoeken in de kennisbank

Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.