Vennootschapsbelasting
Belastingplicht van stichtingen en verenigingen
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
Stichtingen en verenigingen zijn slechts belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting indien en voor zover zij een onderneming drijven, waaronder begrepen het in concurrentie treden met ondernemingen. Voor lichamen met beperkte winsten geldt een vrijstelling met de mogelijkheid daarvan af te zien.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Subjectieve vrijstelling, jaarwinst | niet meer dan € 15.000 | art. 6 lid 1 Wet Vpb 1969 |
| Subjectieve vrijstelling, vijfjaarscumulatie | jaar en vier voorafgaande jaren tezamen niet meer dan € 75.000 | art. 6 lid 1 Wet Vpb 1969 |
| Verzoek om ondanks vrijstelling toch belastingplichtig te zijn | uiterlijk gelijktijdig met de aangifte | art. 6 lid 3 Wet Vpb 1969 |
| Wederopzegging van die keuze | mogelijk vanaf het vijfde jaar of een veelvoud daarvan | art. 6 lid 4 Wet Vpb 1969 |
| Aandeelhoudersgrens die de pensioen-/VUT-vrijstelling uitsluit | ten minste 10% van het nominaal gestorte kapitaal, direct of indirect | art. 5 lid 2 Wet Vpb 1969 |
| Drempel voor kwalificatie als omgekeerd hybride lichaam | ten minste 50% van stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten gehouden door gelieerde lichamen | art. 2 lid 11 Wet Vpb 1969 |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- Bij twijfel over het ondernemingskarakter is eerst de deelname aan het economisch verkeer van belang; pas daarna komt het concurrentiecriterium van art. 4 onderdeel a aan de orde.
- Bij een beroep op een vrijstelling van art. 5 is van belang of de categorie is uitgewerkt in de bijbehorende algemene maatregel van bestuur en aan de voorwaarden is voldaan; bij pensioen- en VUT-lichamen sluit overschrijding van de 10%-aandeelhoudersgrens (art. 5 lid 2) de vrijstelling uit.
- Een eenmaal gedaan verzoek tot uitsluiting van de art. 6-vrijstelling of tot de cultuur-opt-in van art. 2 lid 10 bindt het lichaam voor een reeks jaren: wederopzegging is pas mogelijk vanaf respectievelijk het vijfde en het tiende jaar of een veelvoud daarvan.
- Bij toepassing van de art. 6-vrijstelling zijn eventuele verliezen niet verrekenbaar; dat kan reden zijn om juist te verzoeken om belastingplicht.
- Bij fondsstructuren hangt de kwalificatie als fonds voor gemene rekening af van de kenmerken van de uitgegeven bewijzen van deelgerechtigdheid; bij samenwerkingsverbanden met ten minste 50% gelieerd belang speelt bovendien of het omgekeerd-hybride-regime van art. 2 lid 11 van toepassing is, of dat de uitzondering voor gediversifieerde beleggingsportefeuilles van lid 12 uitkomst biedt.
Bronnen
- Art. 2 Wet VPB 1969
- Art. 4 Wet VPB 1969
- Art. 5 Wet VPB 1969
- Art. 6 Wet VPB 1969
- ECLI:NL:HR:2022:51: ECLI:NL:HR:2022:51, Hoge Raad, 21-01-2022, 20/00772
- ECLI:NL:HR:2020:115: ECLI:NL:HR:2020:115, Hoge Raad, 24-01-2020, 19/03341
- Besluit BWBR0046478: Vennootschapsbelasting, subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen (artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
- KG:911:2024:4: Het omgekeerde hybride lichaam en de open commanditaire vennootschap als (partiële) doorkijkentiteit in de zin van de Wet minimumbelasting 2024
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.