Loonbelasting

Excessieve vertrekvergoedingen

Bijgewerkt op 12 september 2026

De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.

Werkgevers zijn een pseudo-eindheffing van 75% verschuldigd over het excessieve deel van vertrekvergoedingen van werknemers met een toetsloon boven de wettelijke grens. De vergelijkingssystematiek toetst het loon in het jaar van vertrek en de twee voorafgaande jaren.

Kernregels

ElementWaardeGrondslag
Tarief pseudo-eindheffing75% over het excessieve deelart. 32bb lid 1 Wet LB 1964
Drempel toetsloon€ 700.000 (wettelijk basisbedrag)art. 32bb lid 2 Wet LB 1964
Indexatie van de drempeljaarlijks bij ministeriële regeling, vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactorart. 32bb lid 8 Wet LB 1964 jo. art. 10.2 Wet IB 2001
Referentieperiode Aloon in het vertrekjaar plus al het nadien bij dezelfde inhoudingsplichtige genoten loonart. 32bb lid 4 Wet LB 1964
Referentieperiode Bloon in het kalenderjaar vóór vertrekart. 32bb lid 4 Wet LB 1964

(wettekst geldend per 2026)

Controleer in je dossier

  • De heffing treft de inhoudingsplichtige, niet de werknemer; het financiële risico van een beloningsophoging rond vertrek ligt bij de werkgever, ook als de vergoeding in de exit-onderhandeling formeel als afspraak met de werknemer wordt vastgelegd.
  • Bij aandelenopties is apart relevant of lid 5 (meetellen in A/B) en lid 7 (toerekeningsmoment) van toepassing zijn, ook bij een voorwaardelijk recht of het ontbreken van een aantoonbaar verband met het vertrek; de tegenbewijsregeling van lid 6 biedt dan geen uitweg.
  • Vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen, zoals extraterritoriale kosten onder de 30%-regeling, verhogen het toetsloon en maken de drempel van € 700.000 eerder bereikbaar.
  • Bij concernstructuren bepaalt de civielrechtelijke dienstbetrekking, niet de formele aanstelling, welke vennootschap het risico van de 75%-heffing draagt.
  • Bij grensoverschrijdende dienstbetrekkingen loopt de kwalificatie voor een bestuurder via het arbeidsartikel van het OESO-modelverdrag (art. 16); voor het toetsloon telt bij een niet-inwonende bestuurder het volledige loon van art. 10 Wet LB 1964, en bij een in het buitenland werkzame werknemer de objectvrijstelling naar het door het verdrag toegewezen loonsdeel.

Aandelenoptierechten: meetellen en tegenbewijs

Bij de vaststelling van A en B telt ook mee wat aan loon uit een aandelenoptierecht zou zijn genoten als dat recht op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking zou zijn uitgeoefend en de verkregen aandelen onmiddellijk verhandelbaar zouden zijn (niet uitgeoefend recht), respectievelijk als de bij uitoefening verkregen aandelen op dat moment verhandelbaar zouden worden (wel uitgeoefend recht) (lid 5). Lid 6 bevat een tegenbewijsregeling: lid 1 blijft buiten toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het verschil verband houdt met loon uit een aandelenoptierecht dat al onvoorwaardelijk was toegekend of geworden in een eerder jaar dan het jaar vóór de beëindiging. De Hoge Raad oordeelde dat lid 6 uitsluitend op aandelenoptierechten ziet: het ontbreken van een verband tussen de toekenning van performance shares of conversion shares en de beëindiging van de dienstbetrekking brengt niet mee dat deze buiten de grondslag van de pseudo-eindheffing blijven (ECLI:NL:HR:2020:1877). Voor andere loonbestanddelen dan aandelenoptierechten biedt lid 6 dus geen tegenbewijsmogelijkheid, ook niet als een verband met het vertrek ontbreekt.

Bronnen

Gerelateerde thema's

Verder zoeken in de kennisbank

Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.