Loonbelasting
Inhoudingsplicht voor de loonheffingen
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
Inhoudingsplichtige is degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan, alsmede aangewezen categorieën zoals de doorbetaler en de buitenlandse werkgever met een vaste inrichting of vertegenwoordiger in Nederland. De inhoudingsplicht bepaalt wie loonheffing moet inhouden, aangifte doen en afdragen.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Noordzee-vasteinrichtingfictie (aaneengesloten periode) | ten minste 30 dagen | art. 6 lid 3 onderdeel b Wet LB 1964 |
| Leeftijdsgrens meewerkend kind (fictieve dienstbetrekking) | 15 jaar of ouder | art. 3 Wet LB 1964 |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- Bij grensoverschrijdende tewerkstelling moet steeds afzonderlijk worden getoetst of route a (vaste inrichting/vertegenwoordiger) of route b (loonadministratie in Nederland plus melding) van art. 6 lid 2 Wet LB 1964 is vervuld; voor route b ontbreekt de inhoudingsplicht al zodra een van de drie elementen niet is vervuld.
- Bij een later geconstateerde vaste inrichting wordt de inhoudings- en afdrachtplicht volgens KG:204:2022:14 niet met terugwerkende kracht gecorrigeerd: de plicht ontstaat pas vanaf het moment waarop de werkgever wist of redelijkerwijs moest weten dat de vaste-inrichtingdrempel zou worden overschreden.
- Het inhoudingsplichtige-begrip werkt door buiten de loonbelasting zelf: volgens KG:204:2022:17 is een niet in Nederland gevestigde werkgever ook geen inhoudingsplichtige voor de meldingsverplichting van art. 22a Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, tenzij hij op grond van de Wet LB 1964 wél inhoudingsplichtig is in Nederland.
- Bij postume betalingen kan de inhoudingsplicht een tijdlang bij een derde blijven liggen die niet de oorspronkelijke werkgever is: volgens KG:204:2025:4 mag een bank lijfrentetermijnen vanaf het overlijden tot de overlijdensmelding blijven behandelen als loon uit vroegere dienstbetrekking (art. 6 lid 1 onderdeel b Wet LB 1964).
- De categorieën van art. 3 en 4 Wet LB 1964 worden bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie vaak over het hoofd gezien omdat een klassieke gezagsverhouding ontbreekt; toch ontstaat daarmee wel degelijk een inhoudingsplicht bij de wederpartij.
Bronnen
- Art. 6 Wet LB 1964
- Art. 8 Wet LB 1964
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1144: ECLI:NL:GHAMS:2021:1144, Gerechtshof Amsterdam, 23-03-2021, 19/00663 en 19/00664
- ECLI:NL:HR:2018:2308: ECLI:NL:HR:2018:2308, Hoge Raad, 14-12-2018, 18/01666
- KG:041:2025:3: Artikel 6, zesde lid, Wet LB 1964; verleggingsregeling, maximumpremieloon en maximumbijdrageloon
- KG:041:2024:5: Artikel 6, zesde lid, Wet LB 1964. Verleggingsregeling voor de premies werknemersverzekeringen
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.