Loonbelasting

Gebruikelijkloonregeling

Bijgewerkt op 12 september 2026

De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.

De aanmerkelijkbelanghouder die arbeid verricht voor zijn vennootschap moet een gebruikelijk loon in aanmerking nemen, ten minste gelijk aan het hoogste van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, het loon van de meestverdienende werknemer of het wettelijke normbedrag. Een lager loon vergt aannemelijk maken door de inhoudingsplichtige.

Kernregels

ElementWaardeGrondslag
Normbedrag (onderdeel c)€ 58.000 (2026; jaarlijks geïndexeerd)art. 12a lid 1 onderdeel c Wet LB 1964
Doelmatigheidsdrempel€ 5.000art. 12a lid 4 Wet LB 1964
Indexatiegrondslag normbedragtabelcorrectiefactor art. 10.2 Wet IB 2001art. 12a lid 7 Wet LB 1964

(wettekst geldend per 2026)

Controleer in je dossier

  • Bij een beroep op een lager loon dan de hoogste-van-drie-uitkomst ligt de bewijslast bij de inhoudingsplichtige (art. 12a lid 2 Wet LB 1964); ECLI:NL:GHAMS:2020:382 en ECLI:NL:GHAMS:2020:383 laten zien dat een onvoldoende onderbouwde stelling wordt afgewezen.
  • Bij concernstructuren met meerdere werkmaatschappijen bepaalt de definitie van verbonden lichaam (art. 12a lid 5 onderdeel d) de reikwijdte van onderdeel b en of de doorbetaaldloonregeling via lid 3 van toepassing is.
  • Bij vergrijpboetes op gebruikelijkloon-correcties speelt de bewijslast voor opzet uit ECLI:NL:HR:2024:1394, met name rond het moment waarop de aanmerkelijkbelangpositie bekend was.
  • Voor bv's in oprichting geldt de regeling niet in de voorperiode vóór de notariële oprichting (KG:204:2026:8); voor een enkel commissariaat van de directeur-aandeelhouder evenmin (KG:204:2024:4).
  • Voor de samenhang met het verstrekken van loon binnen een concern via doorbetaaldloon, zie inhoudingsplicht loonheffingen.

Tegenbewijs: de meest vergelijkbare dienstbetrekking

Maakt de inhoudingsplichtige aannemelijk dat het hoogste van de drie bedragen hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, dan wordt het gebruikelijk loon in plaats daarvan gesteld op dat lagere bedrag (art. 12a lid 2 Wet LB 1964). Sinds de doelmatigheidsmarge van 25% per 2023 is vervallen, telt hierbij het volle bedrag van die vergelijkbare dienstbetrekking; tot en met 2022 volstond 75% daarvan. De bewijslast voor het lagere bedrag ligt bij de inhoudingsplichtige. Voor de "meest vergelijkbare dienstbetrekking" gelden vier cumulatieve eisen (art. 12a lid 5 onderdeel c): geen rol van aanmerkelijk belang, bekendheid bij inhoudingsplichtige én inspecteur, een bekend of redelijk te schatten loon, en een loon dat niet afwijkt van hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is; een dienstbetrekking die niet aan al deze eisen voldoet, telt niet mee als vergelijkingsmaatstaf. Bepleit de inspecteur een hoger loon dan de inhoudingsplichtige heeft gehanteerd, dan moet hij op grond van art. 12a lid 6 Wet LB 1964 ten minste de criteria overleggen waarop hij zijn vergelijkingsmaatstaf baseert. Ook waar het gebruikelijk loon wordt gesteld op het loon van de meestverdienende werknemer blijft de tegenbewijsregel van lid 2 beschikbaar (KG:204:2025:10).

Bronnen

Gerelateerde thema's

Verder zoeken in de kennisbank

Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.