Formeel belastingrecht
Naheffing
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
Bij aangiftebelastingen zoals de loonheffingen en de btw kan te weinig betaalde belasting binnen vijf jaar worden nageheven van degene die de belasting had behoren te betalen. Anders dan bij navordering is geen nieuw feit vereist; naheffing gaat in de praktijk vaak gepaard met een verzuim- of vergrijpboete.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Vervaltermijn naheffing (hoofdregel) | 5 jaar na einde kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond of de teruggaaf werd verleend | art. 20 lid 3 AWR |
| Vervaltermijn bij verkrijging economische eigendom onroerende zaken | 12 jaar na einde kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond | art. 20 lid 4 AWR jo. art. 2 lid 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer |
| Betaalverzuimboete bij naheffing (maximum, geen opzet of schuld vereist) | €6.709 | art. 67c AWR |
| Vergrijpboete bij naheffing (maximum, bij opzet of grove schuld) | 100% van het niet of niet tijdig betaalde bedrag | art. 67f AWR |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- Naheffing en navordering worden in de praktijk vaak door elkaar gehaald; onderscheidend is het type belasting, niet de ernst van de correctie: aangiftebelastingen lopen via naheffing (geen nieuw feit vereist), aanslagbelastingen via navordering (nieuw feit wél vereist).
- Een naheffingsaanslag en een eventuele boete zijn afzonderlijke vragen: uit ECLI:NL:HR:2024:1422 volgt dat een ten onrechte verleende bpm-teruggaaf geen beboetbaar feit in de zin van art. 67f AWR oplevert, terwijl de naheffing zelf wel standhoudt.
- Bij de derde-toerekening van art. 20 lid 2 AWR speelt in de praktijk vaak discussie of het verzuim werkelijk aan de "ander" is te wijten en niet (mede) aan de belasting- of inhoudingsplichtige zelf.
- Bekendmaking van de aanslag door de inspecteur in plaats van door de ontvanger doet, blijkens ECLI:NL:HR:2013:64, geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid; een formeel verweer op dat punt heeft doorgaans weinig kans van slagen.
- Bij samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid loopt invordering van omzetbelasting niet rechtstreeks bij het samenwerkingsverband, maar via aansprakelijkstelling van de bestuurders op grond van art. 33 lid 1 onderdeel a Invorderingswet 1990.
Bronnen
- Art. 20 AWR
- ECLI:NL:HR:2019:483: ECLI:NL:HR:2019:483, Hoge Raad, 05-04-2019, 18/02987
- ECLI:NL:HR:2024:1422: ECLI:NL:HR:2024:1422, Hoge Raad, 11-10-2024, 22/00955
- Kamerstuk 36369 nr. C (EK): Invoering van een minimumbelasting en wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1) (Wet minimumbelasting 2024); Nota naar aanleiding van het verslag
- Besluit BWBR0047673: Omzetbelasting, fiscaal vertegenwoordiging
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.