Inkomstenbelasting
Lijfrenten en premieaftrek
Bijgewerkt op 12 september 2026
De kernregels, controlepunten en bronnen voor dit onderwerp.
Premies voor kwalificerende lijfrenten zijn aftrekbaar voor zover een pensioentekort bestaat, bepaald via de jaarruimte en de reserveringsruimte. De uitkeringen worden later belast in box 1; bij niet-reguliere afwikkeling volgen negatieve uitgaven en revisierente.
Kernregels
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Jaarruimte | 30% van de premiegrondslag (max. grondslag €137.800, franchise €19.172; 2026) | art. 3.127 lid 1, 3 en 4 Wet IB 2001 |
| Reserveringsruimte (inhaal, over 10 jaar) | ten hoogste €42.753 per jaar (2026) | art. 3.127 lid 2 Wet IB 2001 |
| Stakingslijfrente, hoogste schijf (staking wegens overlijden, 45%+ arbeidsongeschiktheid of vanaf AOW-leeftijd −5 jaar) | ten hoogste €574.867 (2026) | art. 3.129 lid 1 en 2 Wet IB 2001 |
| Termijnenmaximum overbruggingslijfrente (onderdeel c) | €27.192 per jaar | art. 3.125 lid 1 onderdeel c Wet IB 2001 |
| Drempel kleine afkoopsom (geen negatieve uitgaven) | €5.513 (2026) | art. 3.133 Wet IB 2001 |
| Revisierente bij negatieve uitgave | 20% van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak | art. 30i AWR |
(wettekst geldend per 2026)
Controleer in je dossier
- Betaalt een werkgever lijfrentepremies namens een werknemer rechtstreeks aan de aanbieder, dan blijft aftrek bij de werknemer mogelijk voor zover de premie op hem drukt, zowel bij inhouding op het nettoloon als bij vergoeding als eindheffingsbestanddeel.
- Bij een lijfrenterekening drukt de inleg niet op de belastingplichtige tot het bedrag van een ontvangen bonus; alleen het nettobedrag is dan aftrekbaar.
- Voor de bancaire lijfrente schrijft de wet geen vaste maximale uitkeringsperiode voor, maar deze moet redelijk zijn gelet op het doel van de regeling en niet zo lang dat de rekeninghouder bij afloop niet meer in leven kan zijn.
- Bij premies aan een buitenlandse aanbieder is de concrete aanwijzingsstatus van die partij bepalend, niet een algemene regel dat buitenlandse betalingen per definitie zijn uitgesloten of toegestaan.
- De drempel voor een kleine afkoopsom voorkomt dat administratief kleine restlijfrentes tot negatieve uitgaven en revisierente leiden.
Voorwaarden voor de pensioentekort-lijfrente (art. 3.125)
Binnen onderdeel a onderscheidt art. 3.125 lid 1 Wet IB 2001 drie subvarianten. Onderdeel a van dat lid vereist dat de termijnen aan de belastingplichtige zelf toekomen, dat de eerste termijn uiterlijk wordt uitgekeerd in het jaar waarin hij de AOW-leeftijd plus vijf jaar bereikt, en dat de termijnen uitsluitend eindigen bij zijn overlijden. Onderdeel b ziet op lijfrenten die ingaan bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of gewezen partner; komen de termijnen toe aan een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, dan eindigen zij uitsluitend bij overlijden van de gerechtigde of uiterlijk op diens dertigste verjaardag. Onderdeel c betreft een lijfrente met een looptijd van ten minste vijf jaar, met een eerste termijn niet eerder dan het jaar van de AOW-leeftijd en uiterlijk in het jaar van AOW-leeftijd plus vijf jaar, waarbij het gezamenlijke bedrag aan termijnen, beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling, niet meer mag belopen dan €27.192 per jaar. Voor onderdeel a en c kan worden overeengekomen dat de uitkering na overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat daarvoor gold (lid 2). Voor onderdeel b-rechten die uiterlijk op de dertigste verjaardag van de gerechtigde eindigen, is de overlijdenskans van de gerechtigde niet van belang (lid 3). Een overbruggingslijfrente, een lijfrente die eindigt vóór de pensioengerechtigde leeftijd, mag volgens een kennisgroepstandpunt eindigen in het jaar waarin de belastingplichtige zestig jaar wordt, mits op dat moment één pensioenregeling beschikbaar is met een pensioeningangsdatum van zestig jaar.
Bronnen
- Art. 3.124 Wet IB 2001
- Art. 3.125 Wet IB 2001
- ECLI:NL:HR:2019:1401: ECLI:NL:HR:2019:1401, Hoge Raad, 20-09-2019, 18/04258
- ECLI:NL:HR:2010:BM9268: ECLI:NL:HR:2010:BM9268, Hoge Raad, 26-11-2010, 09/04697
- Besluit BWBR0046229: Vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting, lijfrenten in de winstsfeer, verzamelbesluit
- Kamerstuk 31704 nr. 3: Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2009); Memorie van Toelichting
Gerelateerde thema's
Verder zoeken in de kennisbank
Zoek op wetsartikel, uitspraak of onderwerp. AI-chat is een aparte betaalde functie en vereist een opgeslagen kaart.
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.